|
8259 actieve gebruikers Inloggen bestaande gebruiker Aanmelden nieuwe gebruiker Naar mobiele versie |
||||
Alle sagten, das geht ja gar nicht!
Da kam einer, der (wist) ........ das nicht und hat es einfach gemacht.
![]()
wissen - wusste - gewusst
er, sie, es, wer, einer, jemand wusste
ich weiß, du weißt, sie weiß: na -ei- schrijf je -ß
Geht das?: Kan dat? Is het mogelijk?
Gaat het (ben je okay)?: Geht's? (Bist du okay?)
(De) ........ Telefon klingelt.

Das Telefon (das Smartphone, das Handy, das Tablet): in het Duits dus onzijdig.
Das-woorden zijn niet altijd het-woorden en omgekeerd. Dat geldt met name voor alledaagse 'vreemde woorden': das Auto, das Baby, das Datum, das Foto, das Radio en enkele meer.
Der Händler fährt jedes Jahr ........ Buchmesse ........ Leipzig.
Naar een persoon, plek of evenement reizen: zu (3e naamval);
zur Oma fahren, zum Markt gehen, zum Musikfestival fahren.
Naar een land/stad reizen: nach Deutschland fahren, nach Berlin reisen.
Die Messe: de uitgang -e wijst op een vrouwelijk woord.
Der Verein für Umweltschutz hat den Plan angeregt.
De vereniging voor milieubescherming heeft het plan ........ .
Het werkwoord anregen betekent stimuleren, aansporen, een idee lanceren, iets in beweging zetten (figuurlijk).
sich regen: bewegen, in beweging komen
etwas ist anregend: prikkelend, stimulerend
afgewezen (afgekeurd): abgewiesen, abgelehnt
uitgevoerd: ausgeführt, umgesetzt, realisiert
gepubliceerd: veröffentlicht, publiziert
© 2014 - NU Beter Duits is een initiatief van Martin van Toll Producties opgericht in samenwerking met Deutsch macht Spaß |