........ Haus muss renoviert werden.
Unser Haus is hier onderwerp in een lijdende zin: das, (m)ein, unser, euer, Ihr Haus: 1e (en 4e) naamval onzijdig.
Onzijdige woorden hebben in de 1e en 4e naamval dezelfde vorm.
4e naamval: Wir müssen unser Haus renovieren.
Das Dach unseres Hauses: 2e naamval.
Die Tür von unserem Haus: 3e naamval.
unseren: 4e naamval mannelijk / 3e naamval meervoud
Er ........ morgen nach Deutschland.
fahren - fuhr - ist gefahren: sterk werkwoord met -a-
ich fahre, du fährst, er/sie/es fährt
fuhr: verleden tijd
Ga je mee tennissen?
Gehst du mit ........ ?
Tennis, Fußball, Hockey, Federball spielen, Ski fahren.
Er bestaan bij deze sporten (Sportarten) geen werkwoordsvormen die van de sportbenaming zijn afgeleid.
Für sein Spargeld bekommt man heutzutage fast keine ........ .
die Zinsen: opbrengst op spaartegoeden (meervoud omdat het bedrag bedoeld wordt)
der Zins/der Zinssatz: rente/rentevoet uitgedrukt in % (in Prozenten)
die Zeile: regel (van een tekst)
die Rente: pensioen
die Zölle: invoerrechten (der Zoll: de heffing, maar ook de douane-instantie)
tol voor bruggen en wegen: die Maut
fast: bijna (beinahe)