Die ........ Kinder spielen miteinander.

Meervoud met lidwoord:
1 die kleinen Kinder
2 der kleinen Kinder
3 den kleinen Kindern
4 die kleinen Kinder
Met lidwoord in het meervoud krijgt het bijvoeglijk naamwoord in alle naamvallende uitgang -(e)n.
Kijk eventueel ook op de uitlegpagina 'Overzicht Duitse Grammatica (extra tips)'.
........ Computer möchtest du kaufen?
Welch-, manch-, jed- krijgen dezelfde uitgangen als der, die, das,
hier lijdend voorwerp: welchen Computer?
du: onderwerp
Der Computer: woorden met de uitgang -er zijn overwegend mannelijk.
Ich hoffe, dass deine Schwester Bescheid (weet) ........ .
Wissen heeft een onregelmatige vervoeging:
ich, er, sie, es weiß (na ei- schrijf je ß)
du weißt
wir wissen - ihr wisst
Bescheid wissen: op de hoogte zijn.
Der Verdächtige hat ........ abgelegt.
Werkwoord gestehen: er hat die Tat gestanden.
das Bekenntnis: belijdenis (godsdienst), ontboezeming (m.b.t. privézaken, niet voor criminaliteit)
das Gestehen (nomen gemaakt van een werkwoord): biechten, bekennen. Echter kun je geen 'Gestehen ablegen'.
das Versprechen: belofte