MOB-versie | Naar grote versie






Antwoorden van 13-05-2019 (niveau 2)



geen eerdere test beschikbaar 13 MEI latere test
(klik op een pijltje om naar een andere datum te bladeren)


De deelnemers op niveau 2 hebben de test van 13-05-2019 zo ingevuld:



Wie spät ........ Ellen ten Damme auf?


9 % (afgerond)tret
22 % (afgerond)tretet
69 % (afgerond)tritt 

ich trete

du trittst

er/sie/es tritt

ihr tretet

 

treten - trat - getreten: sterk werkwoord,

bij du, er, sie, es verandert -e- in -i-.

Meestal verandert de lange -e- in -ie- . Uitzonderingen: treten - tritt en nehmen - nimmt.



Zie ook de pagina sterk.



"Ist dieser Stuhl noch frei?"

 

"Tut mir leid, ........ ist besetzt. Da drüben sind aber noch zwei ........ frei."


11 % (afgerond)den, Stühle
9 % (afgerond)der, Stuhlen
6 % (afgerond)die, Stühlen
74 % (afgerond)der, Stühle 

der Stuhl, dieser Stuhl - die Stühle

der Stuhl ist besetzt: onderwerp

 

Hoofdregel meervoud mannelijk is umlaut en uitgang -e: die Stühle (hier eveneens onderwerp).



Zie ook de pagina meervoud.



Ich wohne (boven) ........ einem Supermarkt.


50 % (afgerond)über 
50 % (afgerond)oben

oben = boven; dit is een bijwoord.

Ich wohne oben, mein Freund wohnt unten (beneden).

De twee informaties staan los van elkaar.

 

Über is een voorzetsel.

Er wordt een relatie tussen personen, voorwerpen of plaatsen aangegeven: Ich sitze neben dir, die Zeitung liegt auf dem Tisch.

In het Duits volgt na een voorzetsel een 3e of 4e naamval (soms een 2e).

 

Über: kan de 3e of de 4e naamval hebben.

Wohnen: is een 'toestand', derhalve 3e naamval.

Der Supermarkt verandert hier in: über dem Supermarkt' (3e naamval).



Zie ook de pagina Voorzetsels.



Bei einem Referendum dürfen wir uns für ein Ja oder ein Nein   ........ .


3 % (afgerond)beschließen
19 % (afgerond)wählen
78 % (afgerond)entscheiden 

Sich entscheiden (für/gegen): een bewuste keuze treffen tussen opties.

Ich muss mich entscheiden: Ich entscheide mich dafür/dagegen.

 

Wählen algemeen: iets uitkiezen/uitzoeken uit een aanbod.

Het verschil tussen wählen en (sich) entscheiden is niet altijd eenduidig.

Hier kan alleen wählen: 'Wähle mal eine Farbe aus, die dir am besten gefällt.'

Hier kunnen beide: 'Okay, dann wähle ich / entscheide ich mich für Rot.'

Wählen specifiek: stemmen (politieke en andere verkiezingen).

Beschließen: besluiten. Een idee hebben en dat willen uitvoeren. Daarvoor is geen keuze uit een aanbod nodig: Ich habe beschlossen umzuziehen (te verhuizen).



Zie ook de pagina lastige werkwoorden.



TOTAALRESULTAAT:
68% goed

Uitleg van de kleuren en symbolen:
GOED GEKOZENhet juiste antwoord (door jou gekozen)
FOUT GEKOZENeen fout antwoord (door jou gekozen)