Eine beliebte komische Quizsendung im deutschen Fernsehen heißt:
'Wer (weet) ........ denn sowas?'

Ich weiß
du weißt
er, sie, es, man, niemand, wer weiß
wir, sie, Sie wissen
ihr wisst
Na -ei- volgt -ß-, na de korte -i- volgt -ss-.
Het logo geeft de titel van dit tv programma in hoofdletters weer. Omdat er geen hoofdletter -ß- bestaat schrijft men hier wél WEISS.
Bei vielen Autos ist ........ Ausstoß von CO₂ höher als von den Herstellern angegeben wurde.
Der Ausstoß (onderwerp) is de stamvorm van het werkwoord stoßen.
Deze woorden zijn overwegend mannelijk.
der Hersteller: de producent
Kleinen Kindern muss man immer wieder sagen:
Nach ........ Toilette und vor ........ Essen: Hände waschen nicht vergessen!

Die Toilette - nach (3e naamval) der Toilette.
Bedoeld wordt: na het gebruik van het toilet.
Naar het toilet gaan: zur Toilette gehen.
Keuzevoorzetsel vor: hier een tijdsbepaling (wanneer?).
Met voorzetsels staan tijdsbepalingen in de 3e naamval: vor dem Essen.
Aan kleine kinderen zeggen: kleinen Kindern / ihnen (meewerkend voorwerp) muss man sagen. Alle onderdelen van de woordgroep krijgen in de 3e naamval meervoud de uitgang -n.
Der Apparat, mit dem man Salzwasser in Süßwasser umwandeln kann, ist eine (uitvinding) ........ des Delfter Unternehmens.
die Herausforderung: de uitdaging
das Herausfinden: het ontdekken/ergens achter komen
Het woord bestaat uit het hele werkwoord en is derhalve onzijdig.
Zo ook: das Unternehmen (het bedrijf).
der Apparat: in het Duits dus niet onzijdig
wandeln / umwandeln: omvormen, veranderen