(Hebben jullie) ........ das gesehen?
Die Fahrräder (van onze) ........ Kinder sind heute morgen gestohlen worden.
van onze kinderen: die Räder der/unserer Kinder, 2e naamval meervoud
unseren: die Räder von unseren Kindern, 3e naamval meervoud
Der Schüler ........ die deutschen Flüsse auswendig aufsagen.

können - konnte - gekonnt
er kann: hij kan, is in staat iets te doen
In deze zin: Hij kan de rivieren opnoemen.
kennen - kannte - gekannt
Er kennt: hij weet (heeft geleerd/ervaren). Er ist Binnenschiffer und kennt fast alle deutschen Flüsse (omdat hij daar al geweest is).
Etwas auswendig können: iets van buiten geleerd hebben / uit het hoofd kennen / uit het hoofd kunnen opnoemen.
Vaste uitdrukking 'etwas in- und auswendig können (doen) / kennen (weten)': iets op zijn duimpje kennen.
afb. Cliparts
In welk woord klinkt de ä net zo als in Gäste?
De korte -ä- spreek je uit als de -e- in het Nederlandse woord mest.
De -ck- geeft een 'korte' uitspraak aan, net als bakker.
De regel is dat klinkers in het Duits langer worden uitgesproken dan in het Nederlands (quälen, Geste). Maar onder de invloed van volgende letter(s) o.a. dubbele letters (-ck-, -ch-, -mm-, -nn-, -st-, -tt-) is de uitspraak korter.
Door de -h- in gähnen (geeuwen) en de -ß- in mäßig (matig) wordt de -ä- langer.