Die ........ Kinder spielen miteinander.
Meervoud met lidwoord:
1 die kleinen Kinder
2 der kleinen Kinder
3 den kleinen Kindern
4 die kleinen Kinder
Met lidwoord in het meervoud krijgt het bijvoeglijk naamwoord in alle naamvallende uitgang -(e)n.
Kijk eventueel ook op de uitlegpagina 'Overzicht Duitse Grammatica (extra tips)'.
Ich möchte bitte ........ Rotwein.
der (Rot)Wein, hier lijdend voorwerp
Ich möchte ein Glas Rotwein: das/ein Glas = 1e en 4e naamval onzijdig.
(Weet de) ........ Abteilungsleiter schon Bescheid über die Veränderungen?
wissen:
ich weiß - du weißt
er, sie, es, wer, jemand, man, der Direktor weiß: na -ei- schrijf je -ß-
wir wissen: na een korte klinker schrijf je -ss-
(Voor welk doel heeft u dit nodig?)
Für ........ brauchen Sie das?
der Zweck [tswek]: de bedoeling waarvoor je iets doet / nodig hebt
Wofür/Wozu brauchen Sie das?
das Ziel [tsiel]: finish/doel (sport) / een doel waar je naartoe werkt
der Zins, die Zinsen (auf dem Bankkonto): rente
der Verzicht, verzichten auf: afzien van