0 actieve gebruikers

Inloggen bestaande gebruiker

Aanmelden nieuwe gebruiker

Naar mobiele versie


Antwoorden van 04-11-2026 (niveau 2)



eerdere test 04 NOV geen latere test beschikbaar
(klik op een pijltje om naar een andere datum te bladeren)


De deelnemers op niveau 2 hebben de test van 04-11-2026 zo ingevuld:



........ habt ihr zur Party eingeladen?

 



17 % (afgerond)Wer
65 % (afgerond)Wen 
2 % (afgerond)Wie
16 % (afgerond)Wem

Onderwerp: ihr (habt eingeladen)

Wen? vraagt naar het lijdend voorwerp (4e naamval).

Wen habt ihr eingeladen? - Wir haben ihn / den Nachbarn / einen Freund eingeladen.

Wer? vraagt naar het onderwerp (1e naamval). Wer kommt heute zu Besuch?

Wie? = hoe?

 

Het werkwoord blijft in het Duits enkelvoud, ook als naar eventueel meerdere personen gevraagd wordt.

Wie gaan er (allemaal) mee?: Wer geht (alles) mit?

Wie zijn dat? kan niet letterlijk vertaald worden naar het Duits,

wél mogelijk: Wer sind diese Leute?


Zie ook de pagina vraagwoorden / vragende voornaamwoorden.



(Als ik toch zou weten, hoe ik hem kan helpen.)

 

Wenn ich nur   ........ , wie ich ihm helfen kann.



2 % (afgerond)weiß
69 % (afgerond)wüsste 
29 % (afgerond)wusste

Als ik toch eens wist / zou weten hoe ik hem kan helpen: aanvoegende wijs.

Ook mogelijk: helfen könnte, dus eveneens aanvoegende wijs.

De aanvoegende wijs heeft meestal een umlaut.

 

ich weiß: ik weet

ich wusste: ik wist

Helfen combineert met de 3e naamval: ich helfe dir / Ihnen.


Zie ook de pagina Konjunktiv.



Mein neues Fahrrad hat zehn (versnellingen) ........ .

 

      



5 % (afgerond)Schnellheiten
83 % (afgerond)Gänge 
9 % (afgerond)Gangen
3 % (afgerond)Verschnellungen

de versnelling (auto, fiets): der Gang

der erste Gang, der Rückwärtsgang

Meervoud volgens de hoofdregel voor mannelijke woorden: umlaut + -e.

De schakeling voor de versnellingen: die Gangschaltung.

 

Die Schnellheit (tempo) wordt zelden gebruikt. Gebruikelijk is die Geschwindigkeit, das Tempo.

 


Zie ook de pagina Woordenschat, thematisch.



Niemand (durft) ........ noch ein Wort zu sagen.



3 % (afgerond)mag
17 % (afgerond)darf
79 % (afgerond)traut sich 

Werkwoord sich trauen: durven, de moed hebben.

Bij enig risico ook: sich wagen (etwas wagen: een risico nemen. Wer nicht wagt, der nicht gewinnt.)

Niemand/Keiner heeft de zelfde werkwoordsvorm als er/sie/es/man.

darf (werkwoord dürfen): toestemming hebben

mag (werkwoord mögen): houden van, lusten


Zie ook de pagina dürfen / müssen / sollen / mögen.



TOTAALRESULTAAT:
74% goed

Uitleg van de kleuren en symbolen:
GOED GEKOZENhet juiste antwoord (door jou gekozen)
FOUT GEKOZENeen fout antwoord (door jou gekozen)





Beter Spellen Beter Rekenen NU Beter Engels NU Beter Duits NU Beter Frans NU Beter Spaans Beter Bijbel

© 2014 - NU Beter Duits is een initiatief van Martin van Toll Producties

opgericht in samenwerking met Deutsch macht Spaß