|
0 actieve gebruikers Inloggen bestaande gebruiker Aanmelden nieuwe gebruiker Naar mobiele versie |
||||
Die Sturmflut von 1953 in Zeeland war ein ganz schlimmes ........ .

das Ereignis: de gebeurtenis
das Ergebnis: het resultaat
der Erfolg: het succes
Die Flut: hoort bij de groep vaak voorkomende vrouwelijke woorden met de uitgang -t.
Ich habe (mijn) ........ Bruder gefragt, ob er auch mitkommt.

Fragen is een werkwoord met de vaste 4e naamval:
Ich frage sie, Sie / ihn / meinen Bruder.
Fragen (een vraag stellen) en bitten (verzoeken) zijn veel voorkomende werkwoorden die met de 4e naamval combineren.
Ich frage dich / ihn / den Lehrer.
Ich bitte Sie / meinen Vater.
Zie voor verdergaande uitleg ook menupagina 'Overzicht Duitse Grammatica (extra tips)': Verschil Nederlands-Duits m.b.t. het ontleden van zinnen.
Was (leren jullie) ........ diese Woche bei Deutsch?
Ihr lernt - lernt ihr?
Sie/sie (meervoud) lernen
du lernst
euch: 3e en 4e naamval van ihr
Sie (zwaait) ........ immer beim Abschied, bis wir um die Ecke sind.
winken - winkte - gewinkt: zwaaien, wuiven
der Wink = der Hinweis: tip, wenk (op iets attent maken)
schwenken: zwaaien - eine Fahne schwenken, die Arme schwenken
wehen: waaien - Der Wind weht. Die Haare wehen im Wind.
wedeln: waaieren, bijv. met een waaier / kwispelen (hondestaart) / slalomachtig een steile helling afskiën
© 2014 - NU Beter Duits is een initiatief van Martin van Toll Producties opgericht in samenwerking met Deutsch macht Spaß |