Ich (ga zitten) ........ neben meinen Freund.
gaan zitten: sich setzen
ich setze mich, er setzt sich, wir setzen uns
sich stellen: gaan staan
Ich stelle mich an die Tür (Ik ga bij de deur staan). Stell dich mal gerade hin (Ga recht staan).
stellen: een voorwerp plaatsen / neerzetten (hinstellen)
sich setzen + neben (naast), in, auf : 4e naamval, neben meinen Freund / auf den Stuhl / in den Sessel
Das ist die Vordertür. Es gibt auch eine Hintertür.
Man kann das Haus also durch zwei (deuren) ........ betreten.
Die/eine Tür: vrouwelijk woord, zie de twee eerste zinnen.
Het woord eindigde vroeger op een -e.
durch + 4e naamval: durch die Tür / die Türen
De hoofdregel meervoud voor vrouwelijke woorden is uitgang -en:
die Frau - die Frauen
die Tür - die Türen (1e en 4e naamval).
Erzähl (mij) ........ bitte, was du geschrieben hast.
vertel aan mij: erzähle mir, meewerkend voorwerp, 3e naamval
was: vervangend lijdend voorwerp
mich: 4e naamval (ruf mich bitte an - bel me op: lijdend voorwerp)
mein: mijn
"Wat ga je morgen doen?" - "Ik ga de hele dag tv kijken."
"Was ........ du morgen machen?" - "Ich ........ den ganzen Tag fernsehen."

ich werde - du wirst: toekomst
sollen: moeten op gezag van een ander
gehen: ergens naartoe gaan