Ich muss mal ........ Toilette.

Die Toilette: een plek waar je naartoe gaat, net als 'Ich gehe zum Markt'. Hiervoor gebruik je in het Duits zu (+3e naamval)
zu + der = zur
kort: "Ich muss mal." / "Ich muss mal wohin." :)
nach = naar: voor steden en landen. Wir fahren nach Deutschland.
Plaats- of tijdsbepaling met de 3e naamval.
nach = na
Nach der Kurve (bocht) seht ihr schon die Tankstelle.
Nach einer Stunde kam er endlich.
Spreektaal voor zur Toilette gehen: aufs Klo gehen.
"Du (mag) ........ gerne noch zum Essen hier bleiben."
"Tut mir leid, aber ich muss jetzt (naar huis) ........ ."
dürfen = toestemming hebben: du darfst
mögen = houden van, is hier niet van toepassing
möchten = op beleefde wijze wens/verzoek/voorkeur uiten:
Ich möchte gerne noch bleiben. Aber ich muss nach Hause (gehen).
Ich bin zuhause: ik ben thuis.
Hebben jullie al ontbeten?
frühstücken - frühstückte - gefrühstückt
ihr habt - habt ihr?
In het Nederlands hebben alle 3 meervoudsvormen dezelfde uitgang: wij/jullie/zij hebben.
De jullie-vorm wijkt in het Duits hiervan af:
wir haben, ihr habt, sie/Sie haben.
schon, bereits: al, reeds
bevor: voordien
Niels zeigt ........ Freund ein Computerspiel.
Niels laat aan zijn vriend een computerspel zien.
In het Duits is dat 3e naamval: zeigt seinem Freund (meewerkend voorwerp).
Das/ein Computerspiel: hier lijdend voorwerp. De 4e naamval onzijdig heeft dezelfde vorm als de 1e naamval.
In dit type zin staat de persoon (Freund) bijna altijd in de 3e naamval (meewerkend voorwerp) en het 'ding' (computerspel) in de 4e naamval (lijdend voorwerp).