Ich habe (hem verzocht) ........ , das Päckchen abzuholen.
Bitten en fragen zijn werkwoorden met de vaste 4e naamval.
Jemanden (um etwas) bitten = verzoeken. Ich habe ihn darum gebeten.
Jemanden (etwas) fragen = een vraag stellen. Ich habe ihn danach gefragt.
Ich habe ihn gefragt, ob er das Päckchen abholen kann: de vraag gesteld "Kun jij het pakje ophalen?".
In het Duits combineren vier werkwoorden standaard met de 4e naamval, waar het in het Nederlands om een meewerkend voorwerp gaat: fragen, bitten, kosten, lehren (doceren).
Ich bitte Sie. Es kostet ihn keinen Cent. Sie lehrt ihn kochen (formeel taalgebruik).
'Die Mutter stillt ihr Baby' betekent: ........
das Baby stillen: borstvoeding geven (daar wordt de baby stil van :))
den Hunger stillen / den Durst stillen/löschen
(pijnstiller: das Schmerzmittel)
in slaap wiegen: in den Schlaf wiegen
kalmeren: beruhigen
verschonen: die Windeln wechseln
Auf ........ Verkehr achten und gleichzeitig telefonieren lässt sich niemals kombinieren.
achten auf: mentale/abstracte werkwoorden met vast voorzetsel (an, auf, über) staan overwegend in de 4e naamval;
Ich achte auf den Abstand von 1 ½ Metern.
Ich denke an dich. Er wartet auf sie.
Ich freue mich auf deinen Besuch. Ich passe auf den Hund auf.
der Verkehr: stam van een werkwoord
Das ist ein beschwerliches Unterfangen: dat is ........ .
das Unterfangen: 'waagstuk', een actie, een plan in de praktijk omzetten; het woord zelf impliceert dat er risico van falen bestaat
beschwerlich: moeilijk, moeizaam, bezwaarlijk
achtervolging: die Verfolgung
het onderzoek: die Untersuchung
de beschikking: die Verfügung (besluit van een overheidsinstelling / rechtbank)