Ich habe (mijn) ........ Bruder gefragt, ob er auch mitkommt.

Fragen is een werkwoord met de vaste 4e naamval:
Ich frage sie, Sie / ihn / meinen Bruder.
Fragen (een vraag stellen) en bitten (verzoeken) zijn veel voorkomende werkwoorden die met de 4e naamval combineren.
Ich frage dich / ihn / den Lehrer.
Ich bitte Sie / meinen Vater.
Zie voor verdergaande uitleg ook menupagina 'Overzicht Duitse Grammatica (extra tips)': Verschil Nederlands-Duits m.b.t. het ontleden van zinnen.
Er rannte so schnell er (kon) ........ .

können - konnte - gekonnt: in staat zijn om iets te doen
Ich kann Deutsch.
kennen - kannte - gekannt: iets geleerd hebben, weten, iets/iemand kennen
Sie kennt den Weg. Ich kenne diese Wörter.
De vorm könnte is aanvoegende wijs. Het zou kunnen: Es könnte sein.
rennen - rannte - gerannt
brennen - brannte - gebrannt
Außer Spesen nichts gewesen.
De strekking van deze zin: ........ .
Dit is een vaak gebezigd 'gevleugeld woord' dat uitdrukt dat er ondanks inspanningen geen succes geboekt is.
die Spesen: onkosten
Die Angestellten reichen monatlich ihre Spesenabrechnung (onkostendeclaratie) ein.
eten: das Essen, die Speisen
behalve: außer
buiten: außen (buitenkant), draußen (vanuit binnen gezien)
Een betekenis van der Antrag is ........ .
Einen Antrag bei der Gemeinde einreichen: een aanvraag indienen voor bijv. een parkeervergunning. Werkwoord: beantragen.
Ook aanzoek: der Antrag (letterlijk een verzoek(schrift) an jemanden 'herantragen'). Sie macht ihm einen Heiratsantrag (huwelijksaanzoek).
aanvraag (verzoek om informatie): die Anfrage
aanvaarding: die Akzeptanz
aanbieding: das Angebot