Hij is zielig: ........
Hij doet zielig: Er ist wehleidig.
Een zielige vertoning: ein jämmerlicher Anblick / eine jämmerliche Angelegenheit.
betrauern: om iemand rouwen - rouw: die Trauer
bereuen: flinke spijt hebben - Ich bereue, dass ich diese Entscheidung getroffen habe.
Die Reue: wroeging. Je kunt niet een persoon 'bereuen'.
Das Tor wurde nicht anerkannt, weil Lineth Beerensteyn im ........ war.

das Abseits: buitenspel (voetbalregel)
der Absatz: hak (schoen), alinea of afzet (verkoop goederen)
das Außenspiel: spel dat in de buitenruimte plaatsvindt
Bei 20% aller (verkeersongevallen) ........ ist ........ Gebrauch eines Handys im Spiel.

der Unfall (stam van een werkwoord) - die Unfälle (hoofdregel meervoud: umlaut+e)
bij 20% van: aller Unfälle, 2e naamval meervoud
bei is hier voorzetsel van 20%, dus niet van Unfälle
Der Gebrauch is eveneens stam van een werkwoord, hier onderwerp.
Veruit de meeste woorden die uit een stamvorm van een werkwoord bestaan zijn mannelijk (der Besuch, der Rauch, der Plan, der Verband, der Vertrag, ...). Het betreft dus ook woorden die in het Nederlands onzijdig zijn.
Der Ball rollt unter ........ Schrank.
unter: 3e of 4e naamval, hier kun je vragen: waarheen?
De bal rolt (beweging) onder de kast (richting/doel): 4e naamval.
Vergelijk:
Der Ball liegt (rust) unter (waar?: 3e naamval) dem Schrank.
Der Ball rollt im Kreis: weliswaar een beweging maar er verandert uiteindelijk niets, dus 3e naamval.