Der Verein wurde ........ Jahr 1926 (opgericht) ........ .

Im Jahr = tijdsbepaling met voorzetsel: 3e naamval.
(Je hoort ook wel eens 'im Jahre'. De -e is een oude verbuigingsvorm.)
gründen: stichten, oprichten van bijvoorbeeld verenigingen
stiften: doneren voor het oprichten van bijv. liefdadigheidsinstellingen
das Stift: kerkelijk georiënteerde gemeenschap/klooster waar (ook) niet-nonnen kunnen wonen
Das Hofje in Alkmaar wurde von reichen Familien gestiftet.
(sich) aufrichten: rechtop gaan staan / een hoog voorwerp rechtop zetten
oprecht: aufrichtig
Von Berlin aus fuhren wir in ........ Norden, Richtung Rügen.

der Norden: windrichtingen zijn mannelijk
fahren in: waarheen?, dus 4e naamval
(fahren + im: alleen in een zin als 'wir fahren im Kreis', dus een situatie zonder verandering)
Rügen is het grootste Duitse eiland. Het ligt in de Oostzee en is beroemd om zijn krijtrotsen.
........ ihr, wie man das auf Deutsch sagt?

wissen - wusste -gewusst
ich weiß - du weißt - wir wissen - ihr wisst
Als er an die Tür klopfte, rief der Beamte: ('Binnen!') " ........ ".
Herein (kurz: 'rein'): naar binnen komen. Von draußen nach drinnen. Sie kommt ins Zimmer herein (vanaf de 'spreker' gezien').
hinein: erin - Ich gehe in das Haus hinein.
hinaus: naar buiten gaan / 'Hinaus!': 'Eruit!'
Nach draußen gehen.
heraus: naar buiten komen - Er kommt aus dem Haus heraus.
nach innen / nach außen: naar binnen/buiten gericht
Die Tür geht nach innen/außen auf.
Wohin gehst du? – Wo gehst du hin?
Woher kommst du? – Wo kommst du her?