Der Weg zum Aussichtsturm ist nicht ausgeschildert.
Der Wanderer fragte nach ........ Weg.

nach: voorzetsel met de 3e naamval
der Weg (zie 1e zin): nach dem Weg fragen
Werkwoord fragen - fragte - gefragt.
In het Duits is fragen een zwak werkwoord. De verleden tijd is dus anders dan in het Nederlands.
Zonder het voorzetsel combineert fragen met de 4e naamval:
Ich frage ihn (nach dem Weg).
ausgeschildert: bewegwijzerd, van borden voorzien
das Schild: bord
Das Ergebnis der Besprechungen wird auf einer Pressekonferenz bekannt gegeben.
das Ergebnis: ........ .
das Ergebnis: de uitkomst (ook: das Resultat)
succes: der Erfolg
het inzicht: die Erkenntnis (ook: die Einsicht)
het verloop: der Verlauf (stam van een werkwoord, overwegend mannelijk)
Am 21. Juli 1969 betrat der erste Mensch ........ Mond.

Der Unfall war schrecklich.
Hast du ........ Unfall gesehen?

der Unfall: mannelijk woord (zie eerste zin)
(Ich sehe) den Unfall: lijdend voorwerp, dus 4e naamval.
Woorden die uit de stam van een werkwoord (fall-en) bestaan zijn overwegend mannelijk.