(De startmotor) ........ meines Motorrads ist kaputt.
ook: der Starter
der Antrieb: aandrijving, opwekken van energie om een machine of een persoon in beweging te houden
das Getriebe: versnellingsbak
das Motorrad (klemtoon op 2e lettergreep): motor(fiets)
Der Lack des Oldtimers ist etwas stumpf. Das Auto muss (in de was gezet) ........ werden.
wachsen - wachste - gewachst: in de was zetten, met was insmeren
Zwak werkwoord, dus geen klinkerverandering.
das Wachs [waks]: de (bijen)was
wachsen - wuchs - gewachsen: groeien
die Wäsche: de was, wasgoed
ondergoed: die Unterwäsche
beddengoed: die Bettwäsche
Deze werkwoorden zijn in het Duits 'sterk':
waschen - wusch - gewaschen: wassen - waste - gewassen
wachsen - wuchs - gewachsen: groeien - groeide - gegroeid
Das nette Mädchen hatte sich ganz schön aufgebrezelt.
Het leuke/aardige meisje ........ .
sich aufbrezeln: opdirken, met veel make-up
ook: sich aufmotzen, sich auftakeln
Tevens m.b.t. kleding e.d. (bling-bling) of andere zaken die 'sterk opgeleukt' zijn (er bestaat een modemerk 'Aufgebrezelt').
(Veel) drinken: hiervoor zijn er in het Duits wel evenveel uitdrukkingen als in het Nederlands (zie 'spreektaal alfabetisch'.)
Mooie vlechten maken: schöne Zöpfe flechten.
Danke für die ........ Blumen!
De vervoeging van bijvoeglijke naamwoorden is lastig.
Maar dit is makkelijk te onthouden:
Na een lidwoord krijgen bijvoeglijke naamwoorden in het meervoud in alle naamvallen de uitgang -(e)n.