Ich leihe mir ........ Auto von meinem Bruder.

das Auto (1e en 4e naamval).
Das Auto (1e) gehört meinem Bruder. Ich leihe das Auto (4e).
Das-woorden zijn niet altijd het-woorden en omgekeerd. Dat geldt met name voor 'vreemde woorden', bijvoorbeeld uit het Latijn.
Duitsers die Nederlands leren, moeten wennen aan:
de auto, de baby, de datum, de foto, de telefoon en enkele meer omdat deze woorden in het Duits onzijdig zijn.
Hé Opa, wo (heb je) ........ denn dein Gebiss gelassen?

Opa, du hast .... / wo hast du...?
Familieleden worden in Duitsland altijd met du aangesproken.
iemand tutoyeren: jemanden duzen
tegen iemand u zeggen: jemanden siezen
De rugbyspelers rennen nietsontziend over het speelveld.
Die Rugbyspieler rennen ........ über das Spielfeld.
nietsontziend: rücksichtslos (auch schonungslos)
Die Rugbyspieler rennen ohne Rücksicht auf Verluste über das Spielfeld.
unachtsam: onachtzaam (niet oplettend, nalatig gedrag)
nichtsachtend (verouderd): minachtend
unrücksichtig: bestaat niet
Wat is spreektaal voor kleding of outfit?
'Die Klamotten' in deze betekenis is altijd meervoud.
die Klampfe: gitaar
der Krapfen: Berliner bol
die Kneipe: kroeg
N.B. die Klamotte (enkelvoud) betekent ook een slapstickachtige actie of toneelstuk.