Ich muss mich mal hinsetzen, mir ist übel.
Ik moet even gaan zitten, ik ben ........ .
(Mir) ist übel: misselijk zijn/voelen. Denk aan het oude woord euvel = slecht/kwaal/gebrek.
Ook: Mir ist schlecht.
Let op de 3e naamval.
Hij/zij is misselijk: ihm/ihr ist übel.
moe: müde
boos: böse
afgepeigerd: erschöpft
(Spreektaal: Ich bin fix und fertig of völlig erledigt.
Zie evt. bij uitlegpagina 'lastige woorden' en 'spreektaal'.)
sich hinsetzen: gaan zitten
Er hat seine Präsentation abgenudelt':
Hij heeft zijn presentatie ........
abnudeln: iets op de automatische piloot afwerken, zoals je pastadeeg (Nudelteig) door de machine haalt.
Ook: runterleiern (draaien als een lier) of abspulen (zoals draad van de rol/spoel trekken).
verprutst: verkorkst, verhunzt
afgekeurd: abgeschlagen, abgelehnt, missbilligt
Die (honden) ........ haben alle (cakes) ........ gefressen.

Der Hund - die Hunde / der Kuchen - die Kuchen:
uitzonderingen op de regel dat mannelijke woorden meestal een umlaut krijgen.
Zo ook: die Busse, die Punkte, die Schuhe.
Hundekuchen: hondenbrokjes
Kannst du bitte den Wagen in ........ Garage fahren?
in: 3e of 4e naamval
fahren + in is hier een beweging ergens naartoe (waarheen?): 4e naamval. Net als in die Disko gehen / ins Kino gehen
die Garage: in die Garage (hinein)fahren.
in der Garage vor- und zurückfahren: 3e naamval
Men bevindt zich voor-/achteruit rijdend in de garage (waar rijd je?), er is geen verandering met een einddoel.