Die Tür war fest verschlossen.
Der Junge schlug mit der Faust gegen ........ Tür.
gegen: voorzetsel met de 4e naamval
die/eine Tür: vrouwelijk (zie zin 1)
Vrouwelijke woorden hebben in de 4e naamval dezelfde vorm als de 1e naamval.
Hier fehlt (ontbreekt) noch ein Puzzelstück. Das muss ich noch (aanvullen) ........ .

ergänzen (die Ergänzung): aanvullen (denk aan ganz machen = heel maken)
ersetzen (der Ersatz): vervangen (denk aan setzen = plaatsen voor iets anders)
Het is kwart voor drie: ........
Viertel nach drei: kwart over drie.
Dreiviertel drei: kwart voor drie.
die/eine Viertelstunde, die/eine Dreiviertelstunde
das Drittel, das Viertel, das Fünftel: het derde, vierde, vijfde deel
Er schenkt (zijn vriendin) ........ einen Blumenstrauß.

Hij geeft/schenkt aan zijn vriendin een bos bloemen.
Freundin is meewerkend voorwerp, in het Duits 3e naamval.
die Freundin (1e) - der/seiner Freundin (3e naamval)
(der/ein) Blumenstrauß is lijdend voorwerp, dus 4e naamval: einen Blumenstrauß.
In dit type zin (dus zonder voorzetsels) is de 'persoon' bijna altijd meewerkend voorwerp en het 'voorwerp' lijdend voorwerp .