Entschuldigung, darf ich ........ etwas fragen?
Fragen is een werkwoord met de vaste 4e naamval:
Ich frage dich / Sie / den Lehrer / meinen Bruder.
Fragen (een vraag stellen) en bitten (verzoeken) zijn veel voorkomende werkwoorden die in het Duits altijd met de 4e naamval combineren.
Ich frage dich / ihn / den Lehrer.
Ich bitte Sie / meinen Vater.
Zie voor verdergaande uitleg ook menupagina 'Overzicht Duitse Grammatica (extra tips)': Verschil Nederlands-Duits m.b.t. het ontleden van zinnen.
(Weet de) ........ Direktor schon Bescheid über die Veränderungen?
wissen:
ich weiß - du weißt
er, sie, es, wer, jemand, man, der Direktor weiß: na -ei- schrijf je -ß-
wir wissen: na een korte klinker schrijf je -ss-
der Direktor = onderwerp
(In zakelijke context)
Ich möchte gerne (een afspraak met u maken) ........
der Termin, einen Termin vereinbaren: een (formele) afspraak maken
einen Termin beim Arzt machen
die Absprache: overeenkomst
die Verabredung: niet voor zakelijke afspraken gebruikelijk
etwas verabreden (in zakelijke zin): overeenkomen
mit: 3e naamval
mit Ihnen / mit dir / mit ihr / mit ihm / mit meinem Vater / mit meiner Mutter
Sie: 1e en 4e naamval.
Ein Deutscher, Konrad Zuse, hat den modernen Computer ........ .
etwas erfinden (die Erfindung): iets uitvinden, een uitvinding maken
etwas herausfinden: iets uitzoeken / erachter komen (oorzaken, feiten)
Ausgefunden is een niet bestaand woord en valt in de categorie 'Steenkolenduits' :).
Der Deutsche / ein Deutscher (zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord): hier onderdeel van het onderwerp, derhalve met hoofdletter. De Duitser (met de naam) Konrad Zuse.