Dieser Satz gefällt mir gut:
'Überall ist Platz für ........ guten Satz.'
Het voorzetsel für combineert met de 4e naamval: für einen Satz.
Der/dieser Satz: een oude stam van het werkwoord setzen. Tevens duidt de uitgang -tz op een mannelijk woord: der Platz, der Schatz, der Blitz, der Sitz, der Witz.
Oproep om grappige of anderszins interessante zinnen bijv. op muren te spuiten (graffiti): Overal is er ruimte voor een goede zin (spreuk).
Die Jacke ist zu groß. Haben Sie diese Jacke auch in ........ .

die Größe [kreuze]: wordt zowel voor grootte/lengte als voor maat gebruikt
bijvoeglijk naamwoord: groß-größer-am größten
das Maß - die Maße: afmeting/-en, niet voor kledingmaat
"Hallo Martin, ich kann jetzt nicht telefonieren. Ich bin jetzt gerade (op school): ........ .

Met in der Schule sein wordt hier bedoeld in het schoolgebouw zijn.
in + sein: 3e naamval
zur Schule gehen = naar school gaan: naar het gebouw gaan maar ook op school zitten.
"Gehst du schon/noch zur Schule?" (schoolplichtig zijn)
auf der Schule: (boven) op het schoolgebouw
Meine Freundin hat ........ gerade angerufen.
Freundin is onderwerp.
mich: lijdend voorwerp, dus 4e naamval
Ich rufe dich an. Die Mutter ruft den Lehrer an.
Tip: Veel korte zinnen bestaan uit een onderwerp (+ gezegde = persoonsvorm werkwoord) en een lijdend voorwerp. Je kunt ook stellen dat de meeste werkwoorden in korte zinnen met de 4e naamval verbonden worden (als er geen voorzetsel in het spel is).