Wenn jemand zwei linke ........ hat, nennt man ........ spaßeshalber 'Grobmotoriker'.
die Hand - die Hände (1e en 4e naamval)
Enkele vrouwelijke woorden hebben een umlaut en de uitgang -e in het meervoud: die Wände, die Bänke (zitbanken), die Kräfte, die Nächte, die Städte.
(Man nennt) ihn: lijdend voorwerp
spaßeshalber: voor de lol
(Dit medicijn mag je beslist niet innemen als je autorijdt.)
Dieses Medikament ........ man auf keinen Fall einnehmen, wenn man Auto fahren will.
dürfen: mogen, toestemming hebben
ich darf, du darfst, er, sie, es man darf, ihr dürft, wir dürfen
Algemene uitspraken/raadgevingen e.d. worden in het Duits met 'man' geformuleerd.
Bij 'du' zou een persoon zich direct aangesproken voelen en dat kan verkeerd overkomen.
Smartphones sind ........ des Unterrichts verboten.
während: tijdens (ook: terwijl)
dauernd: voortdurend
wegen: wegens, op grond van
zeitlich: tijdelijk, voor een bepaalde tijd
Das Teil ist kaputt. Wir brauchen ........ .
Het voorwerp is kapot. We moeten een vervanging hebben.
der Ersatz (werkwoord ersetzen): vervanging
das Ersatzteil: vervangend onderdeel behorend bij een groter geheel
das Teil: kan voor elk willekeurig voorwerp (ding = das Ding) gebruikt worden
das Ergebnis: het resultaat
der Erfolg: het succes
der Ehrgeiz: de ambitie